Het virtueel orgelproject 

 

Project 
Orgels 
Features 
Contact 
Historiek
Screenshots
Foto's
Demo's
Download
Bestel

                        

Het orgel van de St. Etienne Abdijkerk in Caen

Door dr. Jan Skvaril.

Sinds de stichting in 1066 door Willem de Veroveraar  (die was begraven in het koor van de kerk) was de "Abbaye aux Hommes" het centrum voor scholing en opleiding voor de hele regio. Het was ook het centrum van het muzikale leven. Het is erg waarschijnlijk dat al vanaf het begin de plechtigheden aldaar werden omlijst door orgelspel. De kronieken gewagen voor het eerst in de 14de eeuw van een  orgel. Dit instrument werd echter in 1562 door de Hugenoten verwoest, om pas na 200 jaar te worden vervangen. De bouwers van het nieuwe instrument waren de gebroeders Lefèvre, afkomstig uit Rouen. Zij genoten eenzelfde reputatie als hun tijdgenoten Cliquot, Isnard en Moucherel. Meester-meubelmaker Gouy uit Rouen maakte een monumentale eiken orgelkas verfraaid met twee Hercules-beelden die de pedaaltorens ondersteunden. De inwijdingsceremonie vond plaats op 17 februari 1745. Het orgel bevatte meer dan 4000 pijpen, 60 registers, 5 manualen (waarvan drie met een omvang van 53 tonen) en een voor die tijd ongebruikelijk groot pedaal met 30 toetsen en 13 registers (inclusief een dubbele Trompet 8' en een Clarion 4'). Zonder noemenswaardige beschadiging overleefde het instrument de revolutionaire ongeregeldheden. Net als bij het orgel in St. Maximin bleek het op de juiste tijdstippen spelen van de Marseillaise van nut om het orgel heel te houden. Echter was het orgel in het midden van de 19de eeuw praktisch onspeelbaar geworden als gevolg van slecht onderhoud. Daaraan hebben ook zijn enorme afmetingen en mechanische complexiteit toe bijgedragen. Zelfs een uitgebreide renovatie door Verschneider (1859-1863) bracht hierin geen verbetering. Uiteindelijk leidde dit tot de beslissing om een nieuwe orgel te laten bouwen, met gebruikmaking van de goed geconserveerde orgelkas, die ooit door Gouy was vervaardigd en waarvan de waarde nog op 60 000 franc werd geschat.

In 1882 begonnen de onderhandelingen met Aristide Cavaillé-Coll. Deze orgelbouwer diende drie voorstellen in: reinigen en repareren van de  pijpen en mechanische delen (8 850 Fr) of, als uitbreiding daarvan, ook nieuwe mechanische onderdelen met pneumatische tractuur (15 600 Fr) dan wel als derde mogelijkheid een volledig nieuw modern orgel (60 000 Fr).

Het contract voor een nieuw instrument, te bouwen voor 70 000 Fr. werd op 6 april1882 getekend door Abbé Bréard en Cavaillé-Coll.  Abbé Bréard schonk zelf een bijdrage van 30 000 Fr en de kerkelijke collecten zouden moeten zorgen voor het resterende geld . Cavaillé-Coll ontwierp in samenwerking met de beide titulaire kerkorganisten Jules Marie en Alexander Guilmant de dispositie. Jules Marie stelde daarbij ook een officiele beoordeling op van het vorige historische orgel. Josef Koenig, die ook de orgelkas heeft gerepareerd, volgde intonateur Felix Reinsburg op in de laatste fase van de werkzaamheden. Ook Charles Mutin, de latere opvolger van Cavaillé-Coll, werkte mee aan de bouw van het instrument. Alexander Guilmant verzorgde op 3 maart 1885, in de aanwezigheid van Cavaillé-Coll, de inauguratie van het orgel.

De klank van het nieuwe orgel kon echter weinig lof wegdragen. Het werd bekritiseerd als zwak en onduidelijk. Cavaillé-Coll hoorde dit commentaar en was er erg verbaasd over. Hij stuurde er een gerespecteerde orgelexpert, Philbert, naar toe om de problemen te inventariseren. Hij ontdekte dat in een volle kerk de akoestiek dramatisch kan veranderen. Het oude, helder geïntoneerde monumentale orgel, voorzien van talrijke vulstemmen en misturen, was hier vervangen door een  romantisch en symfonisch instrument waar het kerkvolk en de luisteraars totaal niet aan gewend waren. Maar de controversie zwakte geleidelijk af en kwam op den duur in het vergeetboek. Josef Koenig, en zijn zoon Paul-Marie zorgden tot 1944 voor het onderhoud van het instrument. Elektrische energie verving in 1928 het werk van 4 calcanten (orgeltrappers). De stad Caen raakte gedurende de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd, maar als door een wonder bleef de St. Etienne abdij onaangetast. Toch bleek een grondige restauratie van het orgel noodzakelijk. Deze werd, zonder ingrijpende wijzigingen, uitgevoerd door orgelbouwer Jacquot-Lavergne. De enige uitzondering was (op voorstel van Marcel Dupré) de toevoeging van een mixtuur (Plein Jeu IV) op het Récit. In 1999 is dit register echter weer verwijderd. De laatste belangrijke  renovatie vond plaats in 2001 en bracht het orgel weer terug in zijn oorspronkelijke vorm van 1885. Sinds 1975 is het orgel geclassificeerd als nationaal cultureel erfgoed.

De volgende links bieden meer informatie over het instrument en zijn muziek:

Aristide Cavaillé-Coll en zijn familie

De familienaam Cavaillé-Coll verschijnt voor het eerst in de registers op 12 februari 1767, de trouwdag van Jean-Pierre Cavaille en Maria-Francesca Coll, dochter van een wever en zeilmaker uit Barcelona. Hun eerste zoon, Dominique, werd in 1771 geboren. Hij werd later de vader van Vincent (1808) en Aristide (geboren op 3 februari 1881 in Montpellier). Het ambacht van de orgelbouw kon in deze familie bogen op een lange traditie. Joseph, oom van Jean-Pierre was al orgelbouwer en bracht zijn neef de kneepjes van het vak bij. Jean-Pierre hertrouwde in 1780 na de dood van Marie-Francesca's en Martin Cavaillé-Coll, halfbroer van Dominique werd uit dit tweede huwelijk geboren en bekwaamde zich later ook in de orgelbouw. De twee zonen Dominique, Vincent en Aristide brachten de orgelbouwtraditie van de familie tot een hoogtepunt.

De familie trok aanvankelijk regelmatig heen en weer tussen Frankrijk en Spanje, maar vestigde zich tenslotte definitief in Toulouse. Aristide, rijk begiftigd met zowel muzikaal als technisch talent, kreeg een een gekwalificeerde hogere technische opleiding, waarbij hij in aanraking kwam met belangrijke personen die een positieve invloed op hem hadden (Jean-Pierre Boisgiraud, Félix Borel). Aristide en zijn broer Vincent hielpen samen hun vader bij de uitvoering van opdrachten voor restauratie en nieuwbouw van orgels. Men kan zeggen dat Aristide het geluk had om altijd op het juiste tijdstip de juiste mensen te ontmoeten in kringen van het economische, politieke and commerciele leven. In 1832 vond vader Cavaillé-Coll samen met zijn zijn zoons op succescolle wijze een technisch innovatief muziekinstrument uit, het "poikilorgue", dat niet alleen enthousiast onthaal ontving bij componist Rossini, maar ook bij minister Thiers. Dit leidde tot de beslissing om in 1833 naar Parijs te reizen, waar de familie ging wonen en het orgelbouwbedrijf voortzette.  Het nieuwe begin bleek moeizaam, ondanks de positieve bekendheid die zij verkregen met de bouw van het orgel van de kathedraal van St. Denis en de financiële ondersteuning door de pragmatische bankier Henri Place, die ook een groot muziekliefhebber was. Het huwelijk van  Aristide en Adele Blanc speelde daarbij een positieve rol middels de contacten van zijn zwager Hippolyte, een goed geïnformeerde ambtenaar.

De orgelwerkplaats is verschillende keren verhuisd. Ernstige tegenslagen ondervond het bedrijf door het vertrek van broer Vincent en daarna het overlijden van vader Dominique (in 1862). Korte tijd nadat de werkplaats definitief werd overgebracht naar een geschikte locatie aan de Venue du Maine (nr. 15) stierf Adele waardoor Aristide weduwnaar werd.  Desondanks bleef de scheppingsdrang van Cavaillé-Coll ongebroken. Het midden van zijn werkplaats was voorheen een danszaal, die hij ombouwde tot expositieruimte. Jonge organisten zoals Gigout, Vierné en Dupré bezochten deze zaal om de opgestelde instrumenten uit te proberen. Cavaillé Coll liep hier vaak rond, gaf aanwijzingen voor de registraties en zei "... maak bij het musiceren gebruik van de natuurlijke menselijke intelligentie, die je zo zelden aantreft."

Cavaillé-Coll, vaak afgebeeld met een zwart-fluwelen hoed, zoals ook op Holbein portretten te zien is, was een indrukwekkende en gedistingeerde persoonlijkheid. Hij bleef altijd behoudend in zijn aanpak. Hij ging financiële avonturen uit de weg en wantrouwde de ontwikkelingen in de op kapitalistische leest geschoeide maatschappij. Hij hield niet van  BV's, ondanks dat hij officieel verschillende bedrijven had opgericht. Hij behield zich echter het recht voor alle zakelijke beslissingen in eigen hand te houden. De familie verviel weliswaar nooit in armoede, maar toch was de bedrijfsvoering erg gecompliceerd en ondoorzichtig, ondanks de brede steun van invloedrijke mensen en ondanks de faam die hij als orgelbouwer kreeg.  Nooit was hij bereid om te schipperen met de kwaliteit van het door hem geleverde werk, bouwde alleen maar op klassieke wijze kerkorgels en ook populaire drukwind-harmoniums ("poikilorgues") alsmede kleinere instrumenten voor scholen, instituten en particulieren.

Bij elkaar heeft hij 11 leningen en hypotheken afgesloten, die gedekt waren door zijn werkplaats, gereedschappen en ook zijn persoonlijke bezittingen, inclusief het huis waarin hij woonde. Maar hij had moeite om de aflossingen op tijd te betalen. Aristide wees Gabriel Reinsburg aan als zijn top-intonateur en maakte hem partner en manager van de werkplaats aan de Avenue du Maine. Na het overlijden van Gabriel in 1891 raakte het bedrijf in financiële problemen en een jaar later werd op verzoek van zijn familie en op grond van de beslissing van de rechtbank de werkplaats geveild om de schulden te vereffenen. Emile Cholet, een rijke handelaar uit Orleans, zag echter het belang in van het voortbestaan van het bedrijf van Cavaillé-Coll. Hij kocht de volledige werkplaats op en verhuurde die vervolgens voor een symbolisch bedrag aan Aristide. Cavaillé-Coll moest wèl zijn familiehuis verlaten en bracht het laatste jaar van zijn leven door bij zijn dochter die in  de Rue du Vieux-Colombier, nummer 21, woonde. Het was een fatale beslissing van Aristide om de ideeën af te wijzen van zijn technisch begaafde zoon Gabriel, die had aangedrongen op toepassing van meer electrisch innovaties in de orgelbouw. Na afwijzing van zijn vernieuwende inzichten vertrok Gabriel naar Spanje om mijn-ingenieur te worden. Paradoxaal genoeg honoreerde Aristide toch de ideeën van zijn zoon in het laatste grote orgel in Rouen. Door zijn zoon Gabriel te verliezen voor de orgelbouw miste Aristide de laatste mogelijkheid om een opvolger voor zijn bedrijf op te kunnen leiden. Net een jaar voor zijn dood verkocht hij het orgelbouwbedrijf aan Charles Mutin die de afgelopen 10 voor hem had gewerkt. Op 13 october1899 overleed Aristide Cavaillé-Coll onverwacht. Charles Mutin sprak op 16 october zijn grafrede over Aristide Cavaillé-Coll uit tijdens de begrafenis op het Parijse kerkhof Montparnasse.

Mutin zette het werk voort in de traditie van Cavaillé-Coll, maar zijn opvolger Auguste Convers sloeg in 1924, toen hij het bedrijf overnam, een nieuwe richting in. Hij bestempelde Cavaillé-Coll als een middelmatige musicus, die instrumenten bouwde om te voldoen aan de beperkte artistieke eisen van Frank of Widor. Convers bevorderde de herintroductie van aliquoten en mixtuurregisters en gebruikte elektrische onderdelen bij de bouw. Hoewel hij verschillende interessante instrumenten bouwde, waren de meeste fabrieksmatig geassembleerde orgels van middelmatige kwaliteit, voorzien van onbetrouwbare elektrische tractuur. De economische crisis van 1929 was erg nadelig voor de levensvatbaarheid van het bedrijf. Dit leidde eerst tot fusering met de eveneens noodlijdende firma Pleyel en later tot opheffing van het bedrijf.

Aristide Cavaillé-Coll als orgelbouwer

Aristide Cavaillé-Coll was de geestelijke vader van het concept van het symfonische orgel. He was technisch zeer begaafd en werkte in de traditie van de klassieke orgelbouw. Hij bleef in veel opzichten conservatief en verliet zich volledig op beproefde werkmethoden. Aan de andere kant was hij niet bang voor experimenten en heeft hij ook nieuwe vindingen ingevoerd. Spoedig na zijn aankomst in Paris slaagde hij erin de opdracht tot de bouw van een nieuw orgel voor de St. Denis basiliek te verwerven. Hij zou over het opstellen van een werkplan en offerte slechts 2 dagen hebben gedaan. De uitvoering van de opdracht ging echter heel wat trager, met name door problemen met de mechanische tractuur die hij had ontworpen. Gelukkig ontmoette Aristide Charles Barker in Parijs, die de uitvinding van Hamilton met betrekking tot de pneumatische hefboom had verbeterd. Het nieuwe principe van Barker kwam erop neer dat na het neerdrukken van een toets lucht wordt toegevoerd naar een spaanbalgje die de tractuur van de toets in beweging zet. Deze pneumatische bekrachtiging  levert een veelvoud van de kracht die de vingers uitoefenen om toetsen naar beneden te drukken, zodat het bespelen van grotere en krachtiger orgels haalbaar wordt, ook als veel meer registers, koppels en combinaties worden ingezet. Daarbij wordt het ook mogelijk om de speeltafel los van het de orgelbehuizing op te stellen.

Cavaillé-Coll zag direct het belang in van deze vinding voor de orgelbouw. Het instrument in St. Denis basiliek, waarin deze Barker hefbomen werden toegepast, kwam in 1841 gereed en werd meteen een enorm succes. Het werd gebruikelijk om er privé-concerten te organiseren waarbij prominente musici optraden en de audientie uit genodigden uit politieke en economische kringen bestond. Nog slechts 30 jaar oud werd door de "Societe d' Arts" aan Aristide de zilveren medaille toegekend "...voor de verbeteringen die hij in de orgelbouw introduceerde, zoals bij voorbeeld in de koninklijke kerk van St. Denis." Het is belangrijk om hier te vermelden dat Charles Barker later Cavaillé Coll in de steek liet om te gaan samenwerken met orgelbouwer Dublaine et Callinet die met hem in 1844 een monumentaal orgel voor de St. Eustache bouwde. Ongelukkigerwijze stootte Barker bij reparatiewerkzaamheden aan het St. Eustache orgel een kandelaar met een brandende kaars om, die in het orgel viel en het instrument, nauwelijks 6 maanden na de oplevering, deed uitbranden. Dit ongeluk leidde tot het faillissement van deze orgelbouwer.

Cavaillé-Coll was zich bewust van het belang om onderscheiden winddrukken toe te passen voor verschillende registers. Hij verdeelde daartoe de windlade in 2 secties: één voor hoog opgesneden labiale registers (jeux de fonds), en de andere voor laag opgesneden stemmen, aliquoten, mixturen en tongwerken ("jeux de combinaison"). Iedere sectie had een aparte windvoorziening met zijn eigen specifieke winddruk. Op deze wijze kon het “afsnoepen van wind” tussen deze twee groepen worden vermeden. Met voettreden ("appèls"), net boven het pedaal, konden de windladen eenvoudig worden ingeschakeld. De bouwwijze en klankgeving van de Principalen (Prestanten) was ontleend aan de Engelse orgelbouwtraditie met onderscheiden opsneden en mensuren. Door het combineren van verschillende basisstemmen, Montre 8´, Flûte 8´, Bourdon 8´ und Gambe 8´, werd het romantisch en symfonisch klankideaal bereikt. De registers van het pedaal waren draagkrachtig maar omvatten ook verschillende solostemmen.

Cavaillé-Coll bouwde meer dan 600 orgels. Dat waren niet alleen grote instrumenten voor Parijs en andere Franse steden, maar ook veel koororgels, huisorgels en instrumenten voor instituten en scholen. In die tijd was het modieus om zelfs in huizen van welgestelde particulieren een orgel te hebben. Vooral in het begin van zijn arbeidzame leven bouwde bouwde Cavaille-Coll, naast pijporgels, zogenaamde "poikilorgues", instrumenten met doorslaande tongen, die veel mogelijkheden bezaten tot dynamische expressie.

Naast het al eerder genoemde instrument in St. Denis, is het goed om ook de aandacht te vestigen op het het orgel in St. Clotilde basiliek, dat zo nauw is verbonden met het oeuvre van Caesar Franck. In 1863 bouwde Cavaillé-Coll een orgel met vijf manualen voor de St. Sulpice (Widor, Dupré). Verdere orgels van hem staan in de St. Madeleine en de St. Trinité. Zijn meest representatieve orgel, in de Notre-Dame kathedraal van Paris, dateert van 1868. Nadien is dit instrument meerdere keren verbouwd, geëlektrificeerd en voorzien van een nieuwe speeltafel. Een bijzonder monumentaal orgel presenteerde Cavaillé-Coll tijdens de Wereldtentoonstelling van 1878 in het Trocadero Paleis. Hij wist de beste organisten te laten komen om een reeks van veertien concerten te geven. Het orgel van de St. Etienne abdij in Caen, dat praktisch is zijn oorspronkelijke conceptie bewaard is gebleven, werd in 1882 gebouwd, terwijl in 1890 een vier-manualig orgel werd opgeleverd in Rouen.

De levenslange droom van Cavaillé-Coll was om een orgel te mogen bouwen voor de St. Pieter in Rome. Hij maakte daartoe gedetailleerde ontwerpen, die hij telkens weer verbeterde om die aan drie achtereenvolgende pausen te presenteren. Het werk van Cavaillé-Coll was in Rome weliswaar bekend en gewaardeerd, maar toch is deze droom nooit werkelijkheid geworden. En zo staat daar tot op de dag van vandaag een onbetekenend orgel dat geen recht doet aan deze indrukwekkende locatie in Rome.

Een speciaal woord van dank

Onze bijzondere dank gaat uit naar Alain Bouvet, de titulair-organist van het Cavaillé-Coll instrument in Caen, voor de medewerking die hij gaf bij het maken van de opnamen in de kerk.

Wij zijn ook Peter Bengtson bijzonder erkentelijk voor de talrijke adviezen die hij gaf  bij de ontwikkeling van dit virtuele instrument.