| ||||||||||||||
|
|
Enkele richtlijnen over de registratie van Frans-romantische orgelmuziekDe door Cavaillé-Coll gebouwde orgels hebben gedeelde windladen en wel een lade voor de Jeux de Fonds (16´-, 8´- en 4´-labiaalregisters, Hautbois 8´, Clarinette 8´, Voix humaine 8´) en een andere lade voor de Jeux de Combinaison (labiaalregisters voor voetmaten hoger dan 4´, Fournitures, Cornets, Bombardes, Trompettes, Clairons). César Franck noteerde zijn registraties altijd zeer gedetailleerd. Maar men kan ze pas nauwkeurig reconstrueren, als men echt begrepen heeft hoe het een en ander uitwerkt op het bespeelde instrument. Als Franck Anches (letterlijk: tongen) voorschrijft, bedoelt hij niet alleen de de tongwerken, maar ook alle andere registers, die op de Jeux de Combinaison windlade staan en eveneens de Aliquotes (enkelvoudige vulstemmen) en daarbij vaak ook de Mixturen. Op het Récit zijn niet alleen grondstemmen aanwezig. De Basson-Hautbois 8´, een tongwerk, is ook op de Jeux de Fonds windlade geplaatst, samen met de aanwezige basisregisters. Om praktische redenen staat ook de Voix Céleste (die doorgaans samen met de Gamba 8´wordt gebruikt) ook op deze windlade. Het muzikale concept dat Cavaillé-Coll voor ogen stond, was een veelzijdig, gelaagd opgebouwd, homogeen klankpalet. De 8´-basisregisters omvatten de prestanten, fluiten en strijkende stemmen. De 16´-registers verlenen het orgel daarbij een draagkrachtige maar ook milde ondergrond. De "Mutations" (aliquoten, vulstemmen) dienen slechts ter ondersteuning en intensivering van de totaalklank. De Mixturen dienen slechts om het Plenum van de labiaalregisters en de tongwerken te verrijken en niet om hen te overheersen. De zwelkast bezit een buitengewone effectieve werking. Het omsluit het Récit met zijn rijke dispositie van onder meer 16´ registers en breed palet aan tongwerken. Bij de uitvoering van orgelliteratuur, die specifiek is voor deze periode, worden de belangrijkste stappen in de klankdynamiek gevormd door de tongwerken, de koppelingen en de zwelkasten. Het was gebruikelijk dat een organist toendertijd zijn spel op het Récit begon - zonder ook maar één extra register bij te trekken - met gesloten zwelkast, en daar na verloop van tijd stapsgewijs via de koppelingen het Positif en het Grand Orgue (G.O.) aan toe voegde. De volgende stap bestond daarin, dat op het G.O. de Jeux de Combinaison van het Récit werden toegevoegd, waarna de jalouzieën van de zwelkast werden geopend en soms ook 16´ registers toegevoegd. Op deze wijze kon een zeer geleidelijke dynamische opbouw van de klank worden verkregen. Het was in die tijd absoluut ongebruikelijk om daarvoor een rolzweltrede toe te passen en Cavaillé-Coll bouwde deze mogelijkheid niet in zijn orgels, net zo min als vrije of vaste combinaties. Wat betreft de zeer effectieve zwelkast, is het interessant om nog op te merken dat Franck het volledige Récit bij gesloten jalouzieën als “pp” aangaf. De dempende werking van de gesloten zwelkast moet dan ook wel erg effectief geweest zijn. Op de volgende manier kan men een karakteristiek Crescendo op een symfonisch instrument opbouwen:
Men kan ook slechts op het eerste manuaal of het G.O. spelen, wanneer men tenminste met de voetpistons de daarbij behorende manuaalkoppels activeert om de andere manualen in de goede volgorde toe te voegen. Als laatste druk men dan op de "G.O. Unison" koppel, die de Barker-bekrachtiging en daarmee de registers van het G.O. activeert. De Prestant 4´ speelt een aparte rol. Deze behoort niet noodzakelijkerwijs tot de Jeux de Fonds, de groep basisstemmen. Franck rekent de Prestant-registers van het Positif en van het G.O. veelal niet tot de Jeux de Fonds, zeker aan het begin van een Finale. Dat heeft een praktische reden: Deze Prestanten blijven dermate krachtig, dat ze de goede werking van de zwelkast verminderen. Men hoort de inleiding van het Chorale in A Minor soms ten onrechte als een indrukwekkende Toccata met Grand Jeux registratie. Franck tekende hier echter bij aan: "Jeux de Fonds et Jeux d´Anches de 8p. Claviers accouplées. Tirasse GO." Dat houdt in dat men deze inleiding slechts met de Jeux de Fonds en de Anches (tongwerken) in 8-voets ligging, dus zonder 16´- en 4´-registers mag spelen. Zo krijgt deze inleiding een zachter en ook meer improviserend karakter. Het registratievoorschrift aan het einde van dit werk rechtvaardigt wel een grote registratie. Tournemire, Widor en Guilmant volgen nauwkeurig dit klankideaal na. Het ideale orgel voor Marcel Dupré was dat van de St. Sulpice. In zijn registratievoorschriften vinden we evenwel mixtuurplena en solistisch gebruikte aliquoten (vulstemmen). De uitdrukking Anches wordt bij hem uitsluitend voor tongwerken gebruikt. Bij zijn latere orgels (bij voorbeeld in de St. Eustache) wijkt Cavaillé-Coll enigszins af van zijn romantisch/orkestraal klankideaal. Bij latere wijzigingen van zijn orgels (zoals die van de St. Trinité en de St. Clothilde) wordt deze tendens verder voortgezet en vinden we steeds meer heldere mixturen, kleurrijke aliquoten en snijdend scherpe tongwerken. Daarmee voltrekt zich de volledige scheiding tussen de functies van mixturen en tongwerken als verschillende registergroepen. Op grond hiervan ontwierp Olivier Messiaen de kleurrijke registraties van zijn orgelwerken. Daarnaast volgde hij dook de oude lijn van de romantische traditie, waarbij hij het rijk gedisponeerde Récit inzette met zijn dynamische flexibiliteit en zijn talrijke tongwerken. |