| ||||||||||||||
|
|
Restauratie van het Tyn orgel(opgesteld door Dr. Jan Skvaril met behulp van informatie van Dr. Hans-Wolfgang Theobald)Johannes Klais uit Bonn, Duitsland, restaureerde het orgel in de jaren 1998-2000. Het doel van de restauratie was het conserveren van het vroeg-barokke instrument in zijn verschijningsvorm in 1823, waarbij zoveel mogelijk rekening werd gehouden met de invloed van Gartner. De variant om het orgel terug te restaureren naar de situatie in 1673 werd verworpen omdat het orgel dan weer naar voren moest worden verplaatst en de balgen er weer achter zouden moeten worden opgesteld. Dan zou zich ook weer de ongunstige invloed van het zonlicht, dat door het westelijke raam naar binnen valt, doen gelden. De huidige toonhoogte van 444 Hz bij 22 graden Celsius is twee halve tonen lager dan voorheen. Het is onmogelijk om met zekerheid vast te stellen wat de oorspronkelijke toonhoogte en stemming was, aangezien deze werden aangepast doordat Gartner de pijpen heeft verlengd en verplaatst. Ook ontbreekt daarbij betrouwbare informatie over het ontwerp van de oorspronkelijke speeltafel van Mundt . In februari 1998 is het instrument gedemonteerd en getransporteerd naar de werkplaats in Bonn. De orgelkas bleef achter in de kerk en werd schoongemaakt en gerestaureerd door de Praagse restaurateur Václav Stádník. De houten delen werden grondig gereinigd en wat ontbrak vervangen door replica's, opgevuld en -gekleurd met bijenwas en voorzien van een nieuw goudlaagje. Een engel met twee hoofden en met een kroon als keizerlijk symbool, dat het jarenlang wegkwijnde in een opslagplaats, kwam terug op de bovenzijde van het orgel. Het completeerde op logische wijze de andere schilden - het stadsschild onder aan het positief en het provinciale schild boven op het positief. De orgelgalerij en de balgkamer werden gerestaureerd en een nieuwe elektrische installatie geplaatst. Het hoofdaandeel van de restauratie betrof het schoonmaken van het pijpwerk. In het algemeen heeft het instrument de eeuwen zeer goed doorstaan, de oorspronkelijke delen van Mundt veel beter dan de delen die later door Gartner zijn aangebracht. Gartner gebruikte materiaal van mindere kwaliteit en sommige delen van lindehout waren al vergaan. Het door Mundt vervaardigde pijpwerk is van de hoogste kwaliteit, zowel qua samenstelling als bewerking van de tinlegering. Volgens analyses van het Instituut voor Anorganische Chemie(Universiteit van Bonn), gebruikte Mundt een legering van 80,9% - 83,5% tin, 15,88% - 18,62% lood en ongeveer 1% koper. De latere door Gartner geplaatste pijpen zijn van slecht materiaal en bewerking. Mogelijk gebruikte Gartner wat pijpwerk van Mundt’s dat beschikbaar was (dit is het geval in het groot octaaf van het register Salicional 8’). De pijpen die in 1823-1846 werden toegevoegd, zijn van dunner materiaal, de soldeerverbindingen zijn ongelijk en de labiaalvorm fantasieloos. Voor de renovatie werd een legering met 82% tin gebruikt volgens de in 1671 toegepaste verwerkingswijze. Alle windladen, die Mundt heeft gemaakt, zijn goed geconserveerd en hebben sinds1823 geen enkel wijziging ondergaan. Een interessante eigenschap is de windaanvoer over de gehele breedte van de windkanalen van het hoofdorgel , het pedaal en de het basgedeelte van het positief. Leiddraad voor de restauratie van de speeltafel was eveneens de toestand van het instrument in 1823. Replica's vervingen de uitgesleten toetsenborden. Ook van het pedaal werd een replica gemaakt, naar voorbeeld van het geconserveerde orgel in Velvary. De bank werd in overeenstemming met die van het Stolmir orgel gemaakt. Gedeelten van de speeltafel, die aangetast waren door houtworm, werden vervangen. De mechanische toets- en registertractuur werd geconserveerd naar de toestand in 1823: Gartner maakte toen in hoofdzaak gebruik van de constructies van Mundt, maar moest wčl de delen (abstracten), die naar het positief liepen, verlengen. Het balgsysteen werd opnieuw gebouwd, nu met 6 balgen, naar de bouwwijze die in de andere orgels van Mundt werd aangetroffen. De luchtdruk werd op 67 mm waterkolom gezet, dezelfde waarde als voor de restauratie. Er werden geen andere wijzigingen in de intonatie gevonden in het oorspronkelijke pijpwerk van 1671, behalve bij de houten registers Bourdon Flauta 16’ en Copula major 8’. The pijpen hebben extreem grote voetopeningen en brede spleten tussen het onderlabium en de pijpkern, wat resulteert in een optimale klankvorming bij lage winddruk. Bij de intonatie zijn verschillende, zeer kleine kernsteken toegepast. Bij de restauratie is hieraan niets veranderd en de enige akoestische wijzigingen waren het resultaat van de aanvulling van de mixturen en de verwijdering van het opgehoopte stof van de horizontale vlakken van het orgel. De keuze van de stemming werd ingegeven door de wens om geen van de oorspronkelijke pijpen in te hoeven korten. Uiteindelijk werd gekozen voor de gemodificeerde Kirnberger III stemming: de C-E terts het zuiverst, met een geleidelijke toename van zwevingen in de tertsen G-B, F-A, D- Fis. Dit stemmingschema correspondeert met Gartner’s beschrijving van het oneven stemmingschema zoals neergelegd in zijn werk “Een kort advies op orgel …”. Hierin aanvaardt hij een zekere dissonans in akkoorden die gebouwd zijn op Fis en Cis, om daarmee “Puurdere” samenklanken in andere liggingen te verkrijgen [We hebben echter enkele bezwaren tegen deze stemming, zoals u kunt lezen op de webpagina 'Specificaties en schermbeelden' ]. |