Het virtueel orgelproject 

 

Project 
Orgels 
Features 
Free stuff 
Contact 
Historiek
Screenshots
Foto's
Demo's
Updates
Bestel

                        

Het orgel in de kerk van Onze Lieve Vrouw voor Tyn

(opgesteld door Dr. Jan Skvaril met gebruikmaking van de bibliografie die op de hoofdpagina -de geschiedenis- is weergegeven en andere Internet bronnen

Het oudste orgel, voor zover bekend, in de Tyn kerk is in 1573 in de noordbeuk gebouwd door Albrecht Rudner. Honderd jaar later, in 1670, voegde bouwer Domenico Orsi een grote galerij toe aan de westzijde van de kerk.  Toen werd besloten om ook het orgel te vervangen door een groter exemplaar. Hans Heirich Mundt werd gekozen om dit instrument te bouwen.  Tijdens de ondertekening van het contract verklaarde hij: “In het gehele koninkrijk zult u geen beter orgel kunnen vinden dan dit instrument dat ik zal bouwen.” Het contract werd ondertekend op 25 september 1670 en in november startte Mundt met zijn drie helpers (een leerling and twee timmerlieden) met de bouw van het orgel. Hij zegde toe dat hij geen ander werk zal uitvoeren totdat dit orgel was afgebouwd. Toch heeft hij tussen de bedrijven door ook aan regalen gewerkt, twee positiefjes en clavichords afgebouwd wat hem het behoorlijk wat geld in het laatje bracht.  De verdenking rees echter dat hij hiervoor materiaal gebruikte dat bestemd was voor het Tyn orgel omdat, toen hij daar eenmaal mee klaar was, de rekening zeer hoog bleek te zijn opgelopen.

Omdat er tot nu toe geen gearchiveerde documenten over de oorsprong van het Tyn orgel zijn gevonden, zijn we enkel aangewezen op inscripties die enkele fasen van de bouw markeren. De eerste is een inscriptie op  de windlade van het achterpositief: „Anno 1671, den 30. Juli ist diese Windtlade für die Ehr´Gottes undt Marya verfertiget worden durch Johannes Heinrichus Mundt von Köllen am Rehin Orgelmacher in Prag allwo Gott der Allmächtigst ist Glück und Segen dazu verleyhen wöll Amen das werdt war.“ Daarna de inscriptie in de bovenste windlade van het pedaal: „Anno 1671, den 18. November ist diese Windtladen verfertiget worden und zu samen gesetzt und gericht worden durch Johann Heinrich Mundt Orgell und Instrument von Cöllen am Reihn gebürtig.“ Op de achterzijde van het schild op het achterpositief vindt men de inscriptie "1671", wat aangeeft dat dit deel van het instrument het eerst gereed kwam.

De keuringscommissie vergaderde voor de eerste maal op 28 april 1673. Zij meende dat „ de orgelklank nogal zwak“ was. Zij verzochten een eiken Subbass Gedackt 16´ aan het pedaal toe te voegen, en de Quinta van het pedaal naar 6 voet om te bouwen.  Bij de eindkeuring, op 9 juni 1673, verzocht de commissie om ook een eiken Bourdun Flauta 16‘ aan het manuaal toe te voegen. Het doel van al deze toevoegingen was om de geluidsintensiteit te doen toenemen. Mundt werd niet alleen gedwongen om deze wijzigingen aan te brengen en zijn oorspronkelijke klankconcept op te geven, maar hij moest daarbij ook nog  het instrument een halve toon hoger stemmen. Voor zijn werk ontving Mundt uiteindelijk 3,122 florijnen en verkreeg daarbij ook stedelijke rechten.

Men bleef echter niet helemaal tevreden met het geleverde werk. Alleen de uiterlijke vormgeving kon de goedkeuring wegdragen, het orgel als geheel werd echter beschouwd als“vas pulchrum, sed vanum.” Mundt’s meningsverschillen met de raadsmannen van de Oude Stad werden steeds groter. Op 19 okober nam Mundt nog als getuige deel aan een bruiloft in de Tyn kerk, maar kort daarna vertrok hij uit Praag. Al in hetzelfde jaar, 1673, voerde Simon Kreczmer de eerste reparaties uit aan het orgel. Zes jaar later beschadigde een brand een deel van de Tyn kerk en dat had onder meer tot gevolg dat het orgel onspeelbaar werd. Jan Nett, de voormalige helper van Mundt, werd gevraagd om het orgel te repareren. In 1682 keerde Mundt plotseling terug in Praag. De vorige overeenkomst werd ongedaan gemaakt en een nieuwe opdracht werd Mundt voor 300 florijnen verleend als een “…uitstekende orgelmaker en meester-bouwer van dit orgel.”

Onderhoudsreparaties werden uitgevoerd in 1811 (Jakub Placek), 1813 en 1817 (Josef Roth). Pas in de jaren 1821-1823 werd een ingrijpende renovatie uitgevoerd door Josef Gartner. Hij voerde de volgende werkzaamheden uit: stemde het orgel bijna twee halve tonen lager, verplaatste de hoofdkas 2.4 meter naar achteren. Om weer de nodige ruimte voor de balgen te krijgen, bracht hij deze onder in een aparte ruimte in de toren. Zijn benadering van het orgel was respectvol, vertoonde zelfs trekjes van verering. De oorspronkelijke dispositie heeft hij onveranderd gelaten. Enkele beschadigde pijpen werden gerepareerd of vervangen en alle pijpen werden aangepast aan de wijziging in stemming. Zijn behoedzame aanpak blijkt uit het feit dat hij, ondanks de toonhoogteverandering, de repetitie van de Mixturen (met uitzondering van de Cembalo en de  Rauschquint) ongewijzigd liet. In de jaren daarop werden  alleen onderhoudswerkzaamheden  uitgevoerd, en minimale wijzigingen aangebracht: een nieuwe pedaalmixtuur (1843, Josef Gartner), stemming (1848, 1849, 1851, 1856, 1859, Josef Gartner), stemming(1870, Karel Schiffner), stemming (1871, Karel Vocelka), stemming (1880, Emmanuel Petr), nieuwe blaasbalgen (1896, Rejna and Cerny).

Ook in de 20ste eeuw werden er geen ingrijpende renovaties uitgevoerd. Wel was er in 1904 een plan voor reconstructie opgesteld die gelukkig, door gebrek aan financiën, niet werd uitgevoerd. Derhalve is het orgel op ons overgeleverd met slechts drie fasen in de constructie: 1671-1673 (bouw van het orgel), 1823 (reconstructie van Gartner) en 1896 (balgen). In oorlogstijden werden de pijpen gelukkig niet gevorderd. Nu is het orgel van de Tyn kerk één van de weinige overgebleven 17de eeuwse instrumenten, die zijn geconserveerd zonder aanzienlijke wijzigingen in de constructie of het klankkarakter.
Aan dit instrument zijn de namen van verschillende belangrijke organisten en koordirigenten verbonden, zoals Leopold Marian Stecher. En na zijn dood in 1691, Tomas Baltazar Janovka, de auteur van het eerste Latijnse muzikale woordenboek, “Clavis ad thesaurum magnae artis musicae.” Van 1741 tot 1782, was organist Josef Ferdinand Norbert Seger, een opmerkelijke organist, componist en filosoof, en de leraar van een groot aantal belangrijke leerlingen (Karel Kopriva, Jan Evangelista Kozeluh, Josef Myslivecek, Jakub Jan Ryba, Jan Hugo Vorisek). Meer recent, Dr. Vladimir Nemec, auteur van de waardevolle publicatie “Orgels van  Praag” of  Bohuslav Korejs, schrijver van geestelijke hymnenboeken.