Het Schnitger orgel van de Grote of St. Michaelskerk in
Zwolle(1721)
De geschiedenis van het
orgel van de St.Michaelskerk in Zwolle is redelijk typerend voor die van de
meeste belangrijke Europese orgels: gebouwd door de beroemde barokke
orgelbouwerfamilie Schnitger en daarna voortdurend onderworpen aan
wijzigingen die de veranderlijke smaak in de verschillende perioden
weerspiegelen om uiteindelijk weer teruggebracht te worden in zijn
oorspronkelijke barokke staat, zoals die verondersteld is te zijn geweest.
In het begin had de grote
kerk van Zwolle, ook St.Michaelskerk genoemd, drie orgels: twee kleine
orgels en een grote. De eerste documenten van een orgel in deze kerk dateren
van 1505. In die tijd bouwde Johannes Jacobsz van Bilsteyn uit Rhenen een
groot orgel met drie manualen en pedaal: Het Hoofdwerk was geconstrueerd als
Blokwerk, waarbij alle 32 tot 34 stemmen tegelijkertijd klonken, het
Bovenwerk (echo) had 4 tot 5 stemmen en het Rugpositief 4 stemmen. In 1643
moderniseerde Jan Morlet III uit Arnhem dit orgel en maakte de basisstemmen
van het blokwerk bespeelbaar op het pedaal.
In 1669 brandde de toren van
de St.Michaels kerk af door blikseminslag. Deze toren was met 128 meter de
hoogste toren van Nederland in die tijd. Ook werd het orgel hierdoor
gedeeltelijk verwoest. Vanwege gebrek aan financiën voor de kostbare
reparatie werd het orgel gedemonteerd en opgeslagen. Meer dan 30 jaar
moesten de kerkdiensten in de Michaelskerk het stellen zonder een orgel. Tot
in 1718 Bernard Hüte, dokter en burgemeester van Zwolle, 12000 gulden
doneerde voor de bouw van een nieuw orgel. Zijn broer Thomas voegde daar nog
eens 2000 gulden aan toe. In die tijd ontmoette een groothandelaar uit
Zwolle, die voor zaken in Hamburg was, Vincent Lübeck, organist van
St.Nicolai Hamburg, die Schnitger adviseerde Arp als orgelbouwer voor het
nieuwe orgel in Zwolle. Dit resulteerde in het ondertekenen van het contract
voor de bouw voor een nieuw orgel in Zwolle. Op 3 januari 1719 tekende Arp
Schnitger een contract voor de bouw van een instrument met 46 stemmen,
bestaande uit Hoofdwerk (gebaseerd op 16 voet), Ondermanuaal (gebaseerd op 8
voet), Rugwerk (gebaseerd op 8 voet) en Pedaal (gebaseerd op 16 voet). De
afgesproken prijs was 11000 gulden, onder de voorwaarde dat Zwolle de nodige
materialen als stenen, hout en ijzer zou leveren. De niet in gebruik zijnde
katholieke kerk in Zwolle werd aan Arp Schnitger en zijn zonen Frans Caspar
Schnitger and Johann Georg Schnitger ter beschikking gesteld als werkplaats
voor de bouw van het orgel. Omdat Arp Schnitger in 1719 overleed, enkele
maanden na het begin van de bouw, maakten zijn zonen het nieuwe orgel in
1721 af. Het werd 12 dagen lang gekeurd door drie bekende Nederlandse
organisten, die ontdekten dat de Schnitgers een orgel hadden opgeleverd met
63 stemmen (terwijl het contract van 1719 46 stemmen vermeldde en het tweede
contract een vierde manuaal als borstwerk met 11 extra stemmen noemde), en
diverse andere verbeteringen hadden toegevoegd. In hun verslagen waren ze
vol lof over het orgel, maar er waren ook punten van kritiek. Sommige
stemmen waren niet hard genoeg en andere waren niet gebouwd zoals de mooiste
stemmen in andere Nederlandse orgels uit die tijd. Zij maakten ook bezwaar
tegen de gekozen toonhoogte en temperatuur in verband met het gebruik van
het orgel in combinatie met andere instrumenten. De Schnitgers hadden het
orgel gestemd in de “koortoon”, maar de critici zeiden dat een lagere
toonhoogte in het algemeen gebruikelijker was in Nederland. In een brief van
6 oktober 1721 wezen de Schnitgers deze kritiek af, wat resulteerde in het
annuleren van voorgestelde veranderingen.
Tot aan zijn dood, in 1729,
zorgde Frans Caspar Schnitger voor het onderhoud van het orgel. Deze taak
werd overgenomen door Albertus Anthoni Hinsz, de opvolger in de
familieonderneming, die trouwde met de weduwe van Schnitger. Zijn stiefzoon
Frans Caspar assisteerde hem en later Heinrich Hermann Freytag en ook zijn
zoon Herman Eberhard.
In de loop van tijd onderging het orgel veel schadelijke veranderingen.
Vermeldenswaard is de uitgebreide restauratie, die in 1837 door Petrus van
Oeckelen(Groningen) is uitgevoerd. Daarbij bracht hij verschillende
wijzigingen aan, zoals het omstemmen van het orgel naar gelijkzwevende
temperatuur. Later werden er veranderingen aangebracht door J.C.Scheuer
(Zwolle) in 1873 en van Oeckelen in 1883 (inclusief de betreurenswaardige
wijzigingen van de meeste mixturen en sommige tongwerken), J. Proper in 1910
en Van Dam in 1925. Na de Tweede Wereldoorlog bleek dat een grondige
restauratie absoluut noodzakelijk was. Na veel discussies werd besloten het
orgel zo dicht mogelijk terug te brengen tot zijn oorspronkelijke toestand
in 1721, inclusief de oorspronkelijke, hoge, toonhoogte (a’=502 Hz). In 1950
begon orgelbouwer Dirk Andries Flentrop (Zaandam) met deze restauratie, die
in de periode 1953-1955 werd uitgevoerd. Tijdens de restauratie bleek dat,
ondanks de chaos aan verschillend pijpwerk, door de eeuwen heen door
meerdere orgelbouwers veroorzaakt, nog genoeg origineel pijpwerk over was om
een reconstructie naar Schnitgers’ factuur mogelijk te maken. De restauratie
omvatte, inclusief het herstel van het pijpwerk, nieuw ivoor op de toetsen
en het aanbrengen van een nieuw pedaal. Hoewel sommige latere veranderingen
wel bewaard bleven, werd de dispositie van Schnitger zo goed mogelijk
teruggebracht door het gebruik van het originele pijpwerk en zo nodig
nieuwe, door Flentrop bijgemaakte pijpen. Gegeven de Neobarokke idealen uit
die tijd, werd de restauratie zeer gewetensvol uitgevoerd. uitgevoerd. Maar
later veranderden de ideeën over de ideale orgelklank en nam de kennis over
orgelrestauraties verder toe. Daarom voerde Flentrop de laatste twee
decennia een reeks correcties uit op de intonatie, om daardoor dichter bij
het oorspronkelijke startpunt te komen. In het bijzonder de verlaging van de
winddruk naar ongeveer 78mm en de klankcorrecties gebaseerd op deze druk,
hadden een positief effect op de klank van het orgel.
Hoewel de restauratie van
het orgel nog steeds voortgang vindt, is de huidige toestand de basis voor
het documentatieproject van Sonus Paradisi. In oktober 2007 werden we
uitgenodigd om akoestische documentatie van de staat van het orgel op dat
moment te maken, zodat de klank gearchiveerd is en vergeleken kan worden met
het resultaat van toekomstige wijzigingen. Nu het lang gehuldigde
vooruitgangsgeloof met de teloorgang van de moderniteit verbleekt, zijn we
er ons nu meer van bewust geworden dat ons huidige kennisniveau en onze
idealen inzake de orgelklank niet superieur zijn aan die van onze
voorgangers. In feite had iedere generatie zijn eigen ideaalbeeld van het
orgel, alleen de meningen over dat “ideaalbeeld” veranderde steeds
aanzienlijk door de loop der eeuwen. Werden vanuit het gezichtspunt van de
late 20e eeuw studenten opgeleid in scholen die gekenmerkt werden door een
dominerend historicisme , nu willen we ieder kunstwerk beoordelen in zijn
oorspronkelijke vorm, zoals het kwam uit de handen van de oorspronkelijke
kunstenaar. Daarom zien we gewoonlijk de veranderingen, die het orgel door
de eeuwen heen heeft ondergaan, als schadelijk. De 19e eeuw in het bijzonder
lijkt schadelijk geweest daar bijna alle waardevolle barokke orgels
drastisch werden omgebouwd tot de “romantische”of ”symfonische” stijl van
die periode. Onze tegenwoordige restauraties richten zich daarom op het
ontdoen van die latere veranderingen en het reconstrueren van de authentieke
toestand van het orgel. We moeten echter niet onze huidige idealen
verabsoluteren. In de eerste plaats, zouden we, volgens Karl Popper, er geen
moeite mee hebben om toe te geven dat onze kennis altijd beperkt is en
daarom zullen onze restauraties waarschijnlijk later ook weer bekritiseerd
worden door onze opvolgers, in de zin dat deze niet authentiek genoeg zijn.
In de tweede plaats kunnen we niet zonder meer aannemen dat onze idealen
inzake de pure barokke orgelklank overeenstemmen met die van de
oorspronkelijke orgelbouwers uit de barokperiode. We moeten de stilzwijgende
vooronderstelling verlaten dat wij “weten” hoe het orgel klonk toen het
bijna drie eeuwen geleden gebouwd was. Verder zouden we ons, om met H.G.
Gadamer te spreken, niet te hoeven schamen om de essentiële rol van de
“traditie” te erkennen, dat wil zeggen de waarde van doorlopend onderhoud
van het instrument en de strijd voor het behoud ervan door onze voorgangers,
die het instrument aan ons hebben overgeleverd. Iedere orgelbouwer die ooit
gewerkt heeft aan het orgel droeg bij aan de klankeigenschappen die het
orgel nu bezit en deze bijdragen kunnen niet weggenomen worden om de
oorspronkelijke “pure” klank terug te krijgen. Wij met onze restauraties
worden ook deel van de geschiedenis, door toevoegen van nieuwe (eerder
nieuwer dan oorspronkelijk) interpretatie van de Schnitger orgelklank. Ook
na een zeer geslaagde restauratie moeten we erg voorzichtig zijn om niet de
Schnitgerklank te verwisselen met ons idee over de Schnitgerklank. Wanneer
we luisteren naar het gerestaureerde instrument, kunnen we nooit zeker weten
of we Schnitger horen of zijn opvolgers. In feite horen we naar mijn mening
beiden. Wanneer nieuwe restauraties (interpretaties) van dit orgel zullen
volgen, is het doel van Sonus Paradisi om “de tijd stil te zetten” en een
“momentopname” te nemen van de hedendaagse klank van het instrument en dit
conserveren voor de toekomst!
|
|